Kluwer Bouwrecht, 15/1/2013

 

De rechter is op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de weigering van verweerder om handhavend op te treden niet in stand kan blijven. De rechter is voorts van oordeel dat deze overwegingen geen andere conclusie toelaten dan dat verweerder handhavend dient op te treden tegen het de voorgenomen races op het circuit. Nu nog net voldoende tijd resteert om de deelnemers en potentiële toeschouwers op de hoogte te stellen van afgelasting van de races, acht de rechter het voorts aangewezen om niet te volstaan met een opdracht aan verweerder om een handhavingsbesluit te nemen, maar aanstonds gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 8:72 lid 4art. 8:72 lid 4 aanhef en onder c Awb om zelf in de zaak te voorzien door ter voorkoming van voormelde overtredingen een last onder dwangsom aan derde-partij op te leggen. Bij het opleggen van een last onder dwangsom dient de rechter de bepalingen van de Awb omtrent voorbereiding van besluiten (afd. 4.1.2afd. 4.1.2) en handhaving (hfdst. 5hfdst. 5) in aanmerking te nemen. De rechter acht dusdanige spoed aanwezig dat, na het onderzoek ter zitting, van nader horen van derde-partij dient te worden afgezien (art. 4:11art. 4:11 Awb) en is van oordeel dat zich de in art. 5:7art. 5:7 Awb bedoelde situatie van klaarblijkelijke dreiging van overtredingen voordoet zodat onmiddellijk een herstelsanctie kan worden opgelegd. Deze zal inhouden dat derde-partij de last wordt opgelegd het ‘Raceweekend september 2012’ af te gelasten, daartoe de nodige maatregelen te nemen waaronder het vooraf informatie geven aan potentiële deelnemers en toeschouwers. Gelet op de door derde-partij verstrekte informatie over de door hem gedane investeringen, het verwachte aantal toeschouwers van 6000 tot 8000 en de entreeprijs van € 15, acht de rechter een dwangsom van € 100.000 in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom (art. 5:32bart. 5:32b Awb).

Laatste Publicaties